FA11: Taal als macht
Het Feit
Juridische taal creëert fictie; levend woord herstelt werkelijkheid.
In wetten, brieven en zittingszalen verschijnen woorden die geen alledaagse betekenis meer hebben: natuurlijke persoon, beschikking, verzoek, rechtspersoon. Die taal schept een fictieve laag tussen de lezer en wat er feitelijk gebeurt. Wie alleen die laag spreekt, blijft in het systeem. Wie terugkeert naar het levende woord (wat zie je, wat staat er, wie eist wat van wie) herstelt de relatie tot de werkelijkheid. Zie ook FA12 en FA52.
De Standaardverklaring
Juridische taal is precies en neutraal. Zonder die termen zou het recht onduidelijk zijn. Iedereen kan een uitleg of advocaat raadplegen.
Waarom die verklaring niet klopt
1. Precisie binnen het systeem is geen neutraalheid
Termen zijn scherp binnen het stelsel, niet per se helder voor de mens die aangesproken wordt. De precisie beschermt de procedure, niet automatisch de waarheid.
2. Fictie is geen bijproduct
Woorden als burger of natuurlijke persoon verplaatsen de levende mens naar een rol. Dat is geen toevallige jargon; het is hoe de relatie wordt vastgezet. Zie FA142.
3. Levend woord is toetsbaar
“Wat staat er letterlijk?” en “wie toont de keten?” zijn geen poëzie. Het zijn vragen die fictie laten vallen. Zie FA194.
Directe bronnen en observaties
- Letterlijke termen in wetten, CJIB-brieven en vonnissen naast hun alledaagse betekenis leggen.
- FA53: wij/jullie als verdeeltaal.
- Feitenblokken: Juridische taal creëert fictie; levend woord herstelt werkelijkheid.
Patroon
Zodra jargon de plaats inneemt van wat er gebeurt, is de fictie al aan het werk. Vraag terug naar het levende woord.
Gerelateerde FeitenAnkers
Aanvulling bij FA11? Bron, scherpere formulering of tegendraads inzicht, altijd naamloos.
Bijdrage indienen →