FA220: Rechtspraak als geen “recht spreken”, art. 11 Wet AB en de brug naar art. 120 Grondwet
Het Feit
De kern staat in de Wet algemene bepalingen (1829), artikel 11, nog steeds geldende tekst op wetten.nl (BWBR0001833):
De regter moet volgens de wet regt spreken: hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.
Letterlijke duiding voor FA: de rechter moet volgens de wet uitspraak doen, niet naar een eigen maatstaf van billijkheid of “innerlijke waarde” van de wet zelf. De norm die telt is wat de wetgever formeel heeft neergelegd, niet of die wet in een hogere (morele of rechtsstatelijke) zin “klopt”.
Koppeling met art. 120 Grondwet (tekst Grondwet op wetten.nl):
De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.
De brug: art. 11 WAB beperkt wat “recht spreken” in de rechtszaal mag betekenen, namelijk toepassing van wet, geen vrijstaande beoordeling van de rechtvaardigheid van de wet. Art. 120 GW verdiept dat voor de hoogste nationale norm: de rechter mag de grondwettigheid van wet en verdrag niet beoordelen. In de terminologie van dit FeitenAnker: “rechtspraak” als woord roept onafhankelijk recht-doen en hoeder van fundamentele rechtvaardigheid op; de combinatie art. 11 + art. 120 zegt: binnen dat kader moet de rechter de gekozen wet volgen, ook waar die grondwettelijk of billijk zou worden betwist in gewone taal.
Nuance (kort): in de praktijk speelt o.a. verdragsrecht (zoals het EVRM) wél een rol in rechterlijke toetsing, maar dat verandert niet de letter van art. 11 (billijkheid der wet niet beoordelen in de zin van de WAB-tekst) en art. 120 (geen grondwettigheidstoets van wet/verdrag); het verschuift deel van de toets naar andere juridische bronnen. Zie FA144.
De Standaardverklaring
“Rechters spreken recht: ze zijn onafhankelijk, behoren de Grondwet en rechtsstaat te waarborgen en streven naar rechtvaardige uitkomsten. Rechtspraak is het spreken van recht.”
Waarom die verklaring botst met de twee artikelen
Woord versus taak. Het begrip rechtspraak impliceert in de publieke taal “recht” als hogere rechtvaardigheid. Art. 11 WAB koppelt de taak van de rechter expliciet aan “volgens de wet regt spreken” (letterlijk de WAB-tekst) en verbiedt de beoordeling van billijkheid der wet. Dat is wetstoepassing in de zin van de wetgever, geen vrij programma van “wat rechtvaardig is” tegen de wet in.
Hoogste wet niet toetsbaar door de rechter. Art. 120 GW sluit uit dat de gewone rechter wetten en verdragen afmeet aan de Grondwet. Wie zegt dat de rechter “de Grondwet bewaakt” in die zin, mist wat art. 120 letterlijk uitsluit voor dat toetsingsmoment.
Politiek en rechter. De wetgever bepaalt de formele regels; art. 11 en 120 structureren dat de rechter niet dezelfde corrigerende vrijheid heeft die de symboliek van “onafhankelijk recht spreken” vaak impliceert. Dit FA benoemt die spanning (het vervangt geen jurisprudentie); het leest twee kernbepalingen naast elkaar.
Bronnen (direct)
- Wet algemene bepalingen, art. 11: wetten.nl, BWBR0001833, artikel 11
- Grondwet, art. 120: wetten.nl, Grondwet (art. 120 raadplegen binnen de regeling)
Gerelateerde Feiten
- FA68: Grondwet zonder toetsing, art. 120
- FA143: Grondwet als taaltruc, art. 120
- FA144: LAW / Grondwet, art. 120, EVRM-nuance
- FA78: Handelswijze van rechtspraak (procedureel kader naast deze tekstankers)